Peter Koene, Liedjeszanger 1948-2013

Archief

De Griekse jager

trad (1767)

Het wijf in dit lied is als het ware de vrouwelijke tegenhanger van Halewijn. Zij bezit allerlei bovennatuurlijke krachten, maar het toverpaard, haar door misleiding afhandig gemaakt, redt de jongen, naar zijn zeggen van Griekse koningen afstammende, jager van het spit.

Beluister fragment

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

A Daar ging eens een jager uit jagen, zo ver al in dat woud.
Hij vond daar niet, wilt weten, als een gebonden man oud.
B “Jager”, zeide hij, “jager, in ’t bos daar zwerft een wijf.
Komt zij jou in t gemoete, ’t zal u kosten uw jong lijf”.

A “Zou ik voor een wijf vrezen, ik vrees nog voor geen man”.
Eer hij dat woord ten halve had, daar kwam er dat boze wijf an..
B Zij nam hem bij de armen en het paard al bij de toog
en klom er mee de berg op die zeventien mijlen was hoog.

A De bergen waren hoge en de dalen waren zo diep.
Daar lagen er twee gezoden, de derde lei aan het spit.
B “Zal ik hier moeten sterven als ik voor mijn ogen beken,
zo mag ik mij wel beklagen dat ik er een Grieke-man ben”.

A “Bent gij een van de Grieken? Daar is er mijn man vandaan.
Zo noem mij eens jouw ouders, laat horen of ik ze wel kan”.

A “Zou ik er mijn ouders noemen, weet dan, wie dat ze zijn:
De koning van de Grieken dat is er de vader van mijn”.
B “Zijn huisvrouw Margaretha dat is er de moeder van mijn
De naam moogt gij wel weten wie dat er mijn ouders zijn”.

A “De koning van de Grieken dat is een reusachtig man,
zo groot zult gij niet worden. Wat baat er jouw leven dan?”

A “Zal ik zo groot niet worden? Ik ben er maar elf jaar oud.
Ik hoop nog groter te worden als er bomen staan in het woud”.

A “Hoop jij nog groter te worden als er bomen staan in ’t woud?
Zo geef ik u mijn dochter ze is jonk en daartoe stout.
B Zij draagt al op haar hoofdje een kroon van paarlen fijn.
Al kwamen er zeven koningen, zij zouden voor haar niet zijn.
B Zij draagt op haren borsten een lelie met een zwaard.
De boze uit de helle is voor mijn dochter vervaard”.

A “Gij roemt zo van uw dochter, ik wou dat ik ze eens zag.
Ik zou haar heimelijk kussen en bieden haar goeden dag.”

A “Ik heb nog een klein paardje, ’t loopt snelder als de wind.
Dat zal ik u heimelijk lenen, opdat ge mijn dochter vindt”.

A De jager zat op het paardje en reed er zo lustig voort
“Adieu, jou zwarte hoere, jouw dochter mij niet bekoort!”
B Dat boze wijf nam een knoeste en sloeg daar een boom mee neer
zodat zij het bos deed daveren. Maar de jager was er niet meer.

 


Onze tekst is nagenoeg gelijk aan die in De Ooostindische Theeboom (1767)
B.W.E. Veurman geeft in zijn boekje Adelijn bruin maagdelijn een melodie zoals die voorkomt in de verzameling van C. Bakker uit Broek in Waterland van rond 1900 (Meertensinstituut). Deze melodie heeft Peter met een B-gedeelte aangevuld.
Ate Doornbosch kon in de jaren ’60 van de vorige eeuw nog wel de tekst optekenen, maar geen muziek.
Volgens Doornbosch werd het lied in het begin van de 20e eeuw alleen nog door koppelarbeiders in Noord Groningen gezongen.

J.F. Willems geeft het lied ook, met een melodie uit de Gheestelycken Leeuwercker (1645). Grimm publiceerde in zijn
Deutsche Wälder (deel 1, blz 161) een Duitse versie.

Kalff stelt dat het lied qua sfeer en strekking te vergelijken is met Deense en Duitse heldenliederen uit de 13e eeuw.
De oude, geboeide man die waarschuwt komt ook elders in sprookjes voor. De list, waardoor de jongeling het toverpaard kan bestijgen wordt ook in andere sagen aangetroffen.

Zie ook Het Oude Nederlandsche Lied– nr 6 en  Iepersch Oud-Liedboek – nr 46

Artikelen over deze balladen zijn gepubliceerd in het tijdschrift Neerlands Volksleven, jaargang 11 nr. 3 en jaargang 13 nummer 1.

Comments are closed.