Peter Koene, Liedjeszanger 1948-2013

Archief

De koningin van elf jaren

Een zekere Abraham huwelijkt, op straffe van verbranding van al zijn bezittingen, zijn elfjarige dochter uit aan een koning. Enige tijd later sterft zij in barensnood, omdat haar moeder te laat komt om haar bij te staan. De koning is zo verdrietig, dat hij van smart ook zichzelf van het leven berooft. Bij sommige Roma-gemeenschappen in Oost Europa worden nog altijd meisjes van die leeftijd uitgehuwelijkt. In januari 2004 wijdde De Volkskrant een groot artikel aan het huwelijk en de ontmaagding van de 12 jarige Roemeense zigeunerprinses Anna Maria Cioaba.

Beluister fragment

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Er was eens een koning zeer rijke van goud
vrijde Abrahams dochter van elf jaar oud
Geef mij uw dochter al tot mijn pande
of al uw goed steek ik in brande

Wel koning, zo zeide hij, koning, heer
mijn dochter die is nog te jong en te teer
Zij is nog wat te jong van jaren
zij kan er geen kind ’ren ter wereld baren

Och vader, zo sprak zij, en waar ’dat geen pijn
dat al ons goed verbrand zoude zijn?
En mocht ik sterven van zulk een pijne
de schade van mij die ware kleine

Zij is er op haar slaapkamer gegaan
zij heeft er haar zijden kleed aan gedaan
en een paar schoenen met smale riemen
en daarmee ging zij de koning dienen

’t Gebeurde een jaar of wat daarna
de koninginne was in gevaar
ze riep: ach koning, ach koning heere,
mijn rechter zijde doet mij zo zeere

En hij ging naar de stal en nam er zijn paard
en hij reed er naar zijns vrouw moeder toe waard
en als hij kwam ten halver wege
zijn vrouwkens moeder die kwam hem tegen

Wel koning, zo zeide ze, koning, heer
hoe gaat het toch met mijn jong dochterken teer?
Het is geleden al wel drie dagen
dat ik ze van haar zijde heb horen klagen

En hij zette haar achter al op zijn paard
en hij reed ermee naar zijn vrouw toe waard
en als hij kwam aan een groen heide
vond hij daar de schaper zijn schaapkens weiden

Wel schaper, zo sprak hij, schaapherder van mij
ik zal u wat vragen en zegget gij mij
Wat is er hier al zo vroeg te doene
en luiden de klokken hier ook te noene?

Wel koning, zo zeide hij, koning groot
uw koningin van elf jaren is dood
geen schoner maagd is ter wereld geboren
ach, wat heeft de koning al verloren!

En hij legde zijn hoofd al op enen steen
van wenen en rouw brak zijn hart in tweeën
Daar waren drie lijken wel in ’t gemeine
van een vader en een moeder
en een zoontje kleine.

 


Wij hebben deze ballade uit Het Oude Nederlandsche Lied van Fl. van Duyse, die verwijst naar de verzameling van Snellaert (nummer 64), gebaseerd op optekening door de gezusters Loveling.

Er zijn Duitse liederen waarin hetzelfde verhaal wordt verteld (Die junge Markgräfin), maar die hebben geen woordelijke overeenkomst. Prof. Kalff (1884) dateert het in de 16e eeuw, omdat na die tijd geen liederen uit het Duits meer zouden zijn overgenomen.

Comments are closed.