Peter Koene, Liedjeszanger 1948-2013

Archief

Het daghet in den oosten

AL LXXIII

Als de dag aanbreekt en dit lied begint heeft zich al het één en ander afgespeeld. De hoofdpersoon beweert nog wel dat haar minnaar in haar armen ligt, maar niets is minder waar. Zijn opschepperij en hoogmoed hebben hem kennelijk in een tweegevecht het leven gekost. Het meisje vraagt haar vader en andere edelen om hulp bij de begrafenis, maar daar wordt, vanwege de oneervolle dood van haar vriend, niet op ingegaan; zij is genoodzaakt zelf het graf te delven met zijn eigen zwaard. Aan het stereotype einde van het verhaal besluit het verdrietige meisje de rest van haar leven te slijten in een klooster.

Beluister fragment

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Het daghet in den oosten, het lichtet overal
hoe luttel weet mijn liefken, och, waer ick henen sal

Och warent al mijn vrienden dat mijn vianden zijn!
Ick voerde u uuten landen, mijn lief, mijn minnekijn

Dats waer soudi mi voeren, stout ridder wel gemeyt?
Ic ligge in mijn liefs armkens met grooter waerdicheyt

Ligdy in uw liefs armen? Bilo, ghi en segt niet waer!
Gaet henen ter linde groene, verslagen so leyt hi daer

tMeysken nam haren mantel ende si ghinc enen ganck
al totter linde groene,daer si die dooden vant

Och, ligdy hier verslaghen, versmoort al in u bloet?
Dat heeft gedaen u roemen ende uwen hooghen moet

tMeysken nam haren mantel ende si ginck eenen ganck
al voor haers vaders poorte die sie ontsloten vant

Och is hier eenich heere oft eenich edel man
die mi mijnen dooden begraven helpen can?

Die heren sweghen stille, si en maecten gheen geluyt.
Dat meysken keerde haer omme, si ghinc al weenende uyt

Si nam hem in haer armen, si custe hem voor den mont
in eender corte wijlen tot also menigher stont

Met sinen blancken swaerde dat si die aerde op groef;
met haere snee witten armen ten grave dat si hem droech

Nu wil ic mi gaen begeven in een cleyn cloosterkijn
ende draghen swarte wijlen ende worden een nonnekijn

Met haere claere stemme die misse dat si sanck
Met haere snee witte handen dat si dat belleken clanck


Antwerps Liedboek nr 73

Muziek: Souterliedekens (dorisch, met mol) & Devoot ende profitelijck boecxken (mixolydisch, zonder mol).
Er circuleerden rond 1544 verschillende versies van de melodie, waaronder één met herhaling van de derde regel.
In Het Ouder Nederlandsche Lied staan enige varianten.
Volgens een legende zong in de 14e eeuw de Delftse begijn Geertruid van Oosten al een geestelijke versie van dit lied (ca 1300-1358) – maar dit lijkt onwaarschijnlijk.
De zorg voor een begrafenis en het graven van het graf met het ridderzwaard komt al in de ridderpoëzie voor. (Walewein en Lancelot)
Het is wellicht oorspronkelijk Nederlands. In 1421 verwijst een Hoogduits geestelijk lied naar het Nederduitse Id daget in dat Osten.
In de 15e eeuw komt het in de Nederlanden als wijs-aanduiding voor.

Waarschijnlijk het allerberoemdste lied uit het AL, staat in veel bloemlezingen en heeft ook wetenschappers weten te boeien.

Comments are closed.