Het was een kind, zo klein een kind
ca 1650
Ofwel hoe wreed in vroeger eeuwen de adel haar jachtgebied beschermde. Het kind dat op konijntjes schoot, werd veroordeeld tot de galg. Zilver en goud noch de diensten van zijn broers en zussen konden hem redden. Wraak leidt ertoe dat ook de Heer van Bruinswijk (Braunsweich) er het leven bij in schiet.
| Beluister fragment |
Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser. |
Het was een kind, zo klein een kind, een kind van twalef jaren
’t zou met zijn boogje uit schieten gaan daar hazen en konijntjes waren
Het spande zijn boogje al zo stijf en al in de diepste kerve
het schoot er hazen, konijntjes dood, daarom zo moest het sterven
Dat vernam mijn Heer al van Bruinswijk en hij deed dat klein kind vangen
Hij zette het hoog op een kasteel, hij zwoer: hij zou ’t doen hangen
En dat vernam zijn moederkijn zo ver in vreemde landen
Zij nam haar zilver en rood goud, naar Bruinswijk is zij gegangen
Als zij te Bruinswijk binnenkwam al voor dat huis staat hoge
daar vond ze haar kind, zo klein een kind met twee wenende ogen
Mijn edele heer al van Bruinswijk, Wil jij mij dat kind geven
Ik heb nog zilver en rood goud en dat zal ik jou geven
Jouw zilver en jouw rode goud en dat mag hier niet baten
al was er zijn halsje van rode goud zijn leven moest het laten
Mijn edele heer al van Bruinswijk wil jij mij dat kind geven
ik heb nog zeven dochter stout en die zal ik jou geven
Jouw zeven dochters en wil ik niet, de drie dat bennen nonnen
de vier dat zijn edele landsvrouwen, zij blinken tegen de zonne
Mijn edele heer al van Bruinswijk wil jij mij dat kind geven
Ik heb er nog zeven zonen stout en die zal ik jou geven
Jouw zeven zonen en wil ik niet, de drie dat bennen papen
de vier dat zijn edel landsheren, zij dragen des keizers wapen
Als ’t kind op ’t eerste trapje trad, het keek zo dikwijls omme
daar zag het zijn zeven gezusters stout van verre gereden kommen
Rijdt aan, rijdt aan, gezusters stout en steekt jouw paard met sporen
Had gij dr een half uur langer gebeid mijn leven waar al verloren
Als ’t kind op ’t tweede trapje trad het keek zo dikwijls omme
daar zag het zijn zeven gebroeders stout van verre gereden kommen
Rijdt aan, rijdt aan gebroeders stout en steekt jouw paard met sporen
Had jij dr een half uur langer gebeid mijn leven waar al verloren
Als ’t kind op ’t derde trapje trad het moest nog één keer drinken
Het liet er zo menige natte traan al in de schale zinken
Mijn edele heer al van Bruinswijk, nou sluit jouw poorte vaste
Morgen eer dat er de dag aan komt zo zal jij krijgen gasten
’s Morgens als de dag op kwam, de poorten gingen open
Toen lag er mijnheer al van Bruinswijk al door zijn hals geschoten
Mijn edele heer al van Bruinswijk hoe ben jij nou te moede?
Gisteravond was er jouw hals sneeuwwit, nu is ’t zo rood als bloede
Hoe dat ik nou te moede ben dat zal ik jou wel zeggen
Ik heb er niet ene vriend zo groot die mij ter aarde wil leggen..
Onze versie is gebaseerd op die in het Haerlems Oudt Liedboek van ca. 1650, zoals weergegeven in Adelijn bruin maagdelijn”
De door Peter bewerkte melodie wordt door Van Duyse geplaatst in de 17e eeuw.
De oudste bron is, net als van Twee Koningskinderen, een handschrift in de KB te Brussel, afkomstig uit een klooster in Dordrecht, ca 1525. Oorspronkelijke melodie-opgave: Den edel Heer van Hemelrijc.
Brunswijk doet een Duits lied vermoeden, maar er is geen Duits lied met deze inhoud bekend.
Andere bronnen:
De Coussemaeker (1856) blz 149
Lootens en Feys (1879) blz 85
Iepersch Oud-Liedboek blz 1 en 513
v. Duyse nr 17 geeft de 6 versie & 4 melodieën