Peter Koene, Liedjeszanger 1948-2013

Archief

Het wonder van Bergen op Zoom

Bergen op Zoom 1925

Gaat het om het kerstkind, dat de ruiters (in een andere versie herders) tijdens hun jachtpartij hebben gevonden? Hoe dan ook beveelt het de mensheid zich te bekeren op straffe van oorlog, pest en dure tijden. En drie apocalyptische figuren verschijnen in de lucht, vergezeld van hagel- en donderbuien, om één en ander kracht bij te zetten.

Beluister fragment

Audio clip: Adobe Flash Player (version 9 or above) is required to play this audio clip. Download the latest version here. You also need to have JavaScript enabled in your browser.

Daar gingen drie ruitertjes uit om te jagen
buiten de poorten van Berg op Zoom
Wat hebben zij gevonden in een zeer korte stonde?
Ze hebben daar gevonden een nieuwgeboren kind.

Zij hebben dat kleine kind opgenomen
zij zijn daarmee naar de herberg gegaan:
”Weerdin al van de viere, tapt ons een kannen biere,
wij hebben daar gevonden een nieuw geboren kind”.

De weerdin heeft de kan in haar handen genomen
zij is er daarmee naar de kelder gegaan
Ze heeft het biertje wel getapt maar ze heeft het niet geschonken;
het biertje was veranderd in roden bloed.

De ruitertjes in het kannetje keken:
“Weerdinne, en gij houdt den zot met ons?”
“Ba, nee, ik” zei zij, “heren en wilt alzo niet schreeuwen,
’t zijn er al de tekens van onze grote god”.

De ruitertjes tegen dat kleine kind spraken:
“Zijt gij van god en spreekt tegen mij;
of zijt gij van den boze, wilt zeere van ons scheiden”
Het kindje heeft zijn mondje wijd open gedaan.

Het sprak drie woordjes achter malkander:
“Mensen, bekeert u, ’t is meer als tijd;
want god zal overzenden drie straffen van ellende:
oorlog en pest en duren tijd”.

Maar ’s nachts omtrent den elven of den twelven
daar zijn dr drie mannen in de lucht vertoond,
de eerste met een roede, de tweede met een zweerde,
de derde met zijn dierbaar kruisje gelaân.

Grote hagelstenen zijn der gevallen
tussen de regen al en de sneeuw
De hagels die daar lagen, men woegen ze in schalen,
ieder woeg omtrent een hallef vierendeel.

 


Onze bron is het Iepersch Oud-Liedboek, nr 40

Een artikel over dit lied verscheen in het tijdschrift Sint Geertruydsbronne (Bergen op Zoom, 1925).
Van Duyse geeft in Het Oude Nederlandsche Lied nr 678 een iets afwijkende versie, ontleend aan de publicatie van De Coussemaker.

Comments are closed.